Grégoire Vandersmissen

DSC_1576Grégoire Vandersmissen hield zich tijdens zijn jeugd met verschillende hobby’s bezig, waaronder piano. Op achttienjarige leeftijd besloot hij om klassieke dans te volgen in de school van Béjart. Vandersmissen moest op een bepaald moment enkele passen tapdans leren voor een hedendaagse choreografie, waardoor hij de smaak te pakken kreeg. Hij kon met tapdans zijn twee passies combineren: dans en muziek. Vandersmissen deed nadien een stage bij icoon Victor Cuno in Parijs. Hij bezocht geregeld het jaarlijkse tapdansfestival in New York, waar hij in 2010 uitgenodigd werd als solist: de ultieme erkenning van zijn vijfentwintig jaar lange carrière. Voor tapdansers is het mogelijk om op late leeftijd te beginnen. Dit contrasteert met de klassieke dansers, die gemiddeld rond hun veertigste hun carrière moeten beëindigen. Vandersmissen stichtte zijn eigen dansschool in 1987: de Fred Academy, waar hij tot op heden zijn danservaring doorgeeft aan nieuwe generaties.

EVOLUTIE
Vandersmissen onderscheidt twee soorten tapdans: de Ierse en de Amerikaanse variant. Hijzelf focust op de Amerikaanse, omdat die veel rijker is, terwijl de Ierse een “folkloristisch” tintje bevat. Voor Vandersmissen is het belangrijk dat een dans zich blijft ontwikkelen: de Amerikaanse variant doet dat door op zoek te gaan naar kruisbestuivingen met hiphop en hedendaagse dans. Hoewel tapdans in Amerika voortdurend evolueert en hip blijft onder de jongeren, die het telkens op een andere manier gebruiken, blijft het in Europa eerder een bijzondere kunstvorm. Tapdans leeft ook in België, zij het op een bescheiden schaal: Vandersmissen heeft een tiental collega’s in het land en er  is nog een andere tapdansschool in Brussel: de Tap Show Company. In tegenstelling tot andere ambachten en disciplines, waarbij technieken en kennis angstvallig binnen de familie gehouden worden, gaan de docenten geregeld bij elkaar over de vloer en wonen ze elkaars stages bij met hun studenten: “Dat werkt. De informatie circuleert en we respecteren elkaar”.

 

DOORGEVEN VAN KENNIS VIA MEDIA
Vandersmissen ziet de ontwikkeling van het internet als een goede zaak voor de verspreiding van zijn technieken. Zelf geeft hij e-lessen, waardoor zo goed als al zijn materiaal online te vinden is. Hij ziet dit online-aanbod echter als een supplement, aangezien docenten toch altijd nodig zullen blijven voor het rechtstreekse contact en om bewegingen te corrigeren. Hij integreert ook moderne media in zijn projecten. Sinds drie jaar organiseert hij een internationaal festival in het kunstencentrum Bozar. Voor een bepaalde editie heeft hij alle uitgenodigde dansers via internet een choreografie aangeleerd, die ze in Bozar voor het eerst samen gedanst hebben. “Het is een middel om te communiceren en te leren. Dat is echt de toekomst. Het vermijdt ook verplaatsingen”. Dat laatste vormt een belangrijk argument, aangezien reizen en repetities vaak een grote hap uit het budget betekenen. Sociale media zoals Facebook zijn een handig communicatiekanaal voor het internationaal netwerk van tapdansers. “Het is een klein milieu, dus als een internationaal docent naar België komt, dan stuurt hij me meteen een bericht met de vraag of het niet mogelijk is om een stage te geven”. Momenteel is er in België nog geen formeel netwerk, maar in Amerika bestaat dit wel: the International Tapdance Association, waarvan Vandersmissen de contactpersoon is voor België.

 

“Ik zie de ontwikkeling van het internet als een goede zaak voor de verspreiding van mijn technieken. Zelf geef ik e-lessen, waardoor zo goed als al mijn materiaal online te vinden is. Dit onlineaanbod beschouw ik echter als een supplement, aangezien docenten toch altijd nodig zullen blijven voor het rechtstreekse contact en om bewegingen te corrigeren. Ik integreer ook moderne media in mijn projecten.”

 

TAPDANS IN BELGIË
Hoewel er enkele collega’s en tapdansscholen zijn in België, kampt het tapdansen toch nog met een hardnekkig imagoprobleem. Vandersmissen kreeg reeds erkenning voor zijn werk in New York, maar is in België nog steeds vrij onbekend: “Ik doe hier tapdans, maar niemand weet dat, tenzij er eens een artikel wordt geschreven. Ik word hier eigenlijk niet au sérieux genomen. Toen ik als solist was uitgenodigd in New York, heeft men er drie lijntjes over gepubliceerd in een magazine.” Om die reden begreep Vandersmissen al snel dat hij zijn eigen boontjes zou moeten blijven doppen; temeer omdat hij niet overtuigd is dat de bestaande subsidiesystemen goed werken. De populariteit van tapdans begint de laatste tijd wel op gang te komen, met onder andere een nieuw tapdansfestival in Antwerpen onder leiding van Ronny Cuyt. Wat echter ontbreekt in het huidige landschap is een aanbod van plaatsen om spektakels te organiseren. Er is daarnaast geen publieksnetwerk waarlangs evenementen worden verspreid, waardoor de informatie het geïnteresseerde publiek vaak niet bereikt. Vandersmissen stelt dat er op zich genoeg zalen zijn, maar dat tapdans er simpelweg niet wordt geprogrammeerd. Het is dus van belang dat programmatoren zich openstellen voor tapdansvoorstellingen en ze opnemen in hun programma: “Er is erg veel hedendaagse dans in België, maar er is echt een manco aan een klassiek en divers dansgezelschap.”

 

VISIE
Het platform voor tapdansers zou onder andere uitgebreid kunnen worden door een opleiding tapdans, die reeds op jonge leeftijd aangevangen kan worden. Een concreet plan zou zijn om tapdans te integreren in bestaande dansacademiën, door het als specialisatie aan te bieden na twee jaar. Volgens Vandersmissen kan de overheid het tapdansen met een eenvoudige oplossing ondersteunen: “Door de dingen die bestaan, ter beschikking te stellen van de mensen. Het kost niet veel, want het bestaat. Er zijn veel culturele centra in België die goed uitgerust zijn”. Vandersmissen organiseerde al drie keer een niet-gesubsidieerd evenement, waarbij hij de beste dansers van over heel de wereld uitnodigde. Het zou bijvoorbeeld al een grote hulp zijn om zalen en andere faciliteiten voordeliger ter beschikking te kunnen krijgen. Op die manier zouden soortgelijke initiatieven veel meer ademruimte krijgen en vaker voorkomen, wat het platform voor het tapdansen (en andere artistieke vormen) zou uitbreiden. Tapdans zou beschouwd moeten worden als een discipline op zichzelf en met een eigen netwerk, terwijl het nu vaak onder hedendaagse dans wordt geplaatst. Vandersmissen vreest nog niet voor de toekomst van de tapdans, aangezien het op dit moment zeer levendig is, vooral in Amerika. Ook in België zijn er steeds meer initiatieven, zoals het nieuwe festival dat nu in Antwerpen zal plaatsvinden. Deze uitbreiding van initiatieven samen met een uniforme notatietechniek, die nu nog in haar kinderschoenen staat, zouden er voor kunnen zorgen dat er een repertoire gevormd kan worden: “Gestandaardiseerde tapdansnotitie zou een stimulans kunnen betekenen voor de dans. Het is zoals muziek: dat is internationaal. Als je noten kan lezen, kan je alle muziekcomposities ter wereld lezen”.