Frank Panesi

DSC_4021Frank Panesi is stichtend lid van vzw De Scute, een maritiem-erfgoedorganisatie. Daarvoor had hij nochtans een loopbaan die helemaal niets te maken had met de scheepvaart. Na een opleiding als maatschappelijk assistent werkte hij heel zijn carrière in de bijzondere jeugdzorg. De zeevaart zit wel in zijn genen: Panesi is de nazaat van Andreas Panesi, een scheepsbouwer van Italiaanse oorsprong die uiteindelijk in Oostende belandde en daar in 1823 een scheepswerf oprichtte. Ook de vader van Frank Panesi heeft altijd in het zeewezen in Oostende gewerkt. Panesi zeilt intussen 40 jaar en had altijd al een band met de zee en de scheepsbouw. Toen ze hem vroegen om deel te nemen aan de activiteiten van vzw De Scute, voelde het voor hem dan ook aan als een terugkeer naar zijn roots. Intussen is hij voorzitter en startte hij verschillende projecten op om het patrimonium van de scheepvaart te bewaren en levendig te houden.

WERKING EN VERWEZENLIJKINGEN VAN DE VZW
vzw De Scute bestaat 22 jaar en werkt met meer dan 50 vrijwilligers van heel diverse beroepstakken. Bij de vereniging zitten onder andere timmerlui, werfleiders en zeilers, maar ook mensen die zorgen voor sponsoring, mensen uit het bedrijfsleven en uit de culturele wereld. Een voorbeeld uit die laatste categorie zijn de leden van folkgroep ’t Kliekske rond Herman Dewit, die mee media-aandacht trekken door op te treden op evenementen. Er zitten geen professionele scheepsbouwers bij de vzw, maar de timmerlui worden wel gecoacht door Jan Van Damme, een professioneel scheepsbouwer van de scheepswerf die zijn naam draagt. De voornaamste doelstelling van de vzw is het behoud van scheepsbouwkundige technieken zoals die in het verleden toegepast werden bij verloren gegane scheepstypes in Blankenberge en bij uitbreiding aan de hele Vlaamse kust. Bij de opstart van het project in 1992 bestond er al geen traditionele scheepswerf meer in Vlaanderen. Het eerste project van vzw De Scute was meteen ook het enige rond de herbouw van een oud scheepsmodel: de bouw van Sint-Pieter, een authentieke Blankenbergse vissersschuit. Aangezien er geen bouwplannen bestonden van het authentieke model, heeft Ward Heineman aan de hand van een maquette de werkelijke afmetingen becijferd, waarna het zes jaar durende bouwproces kon beginnen. Na de tewaterlating in 1999 volgden anderen hun voorbeeld en ontstonden er nieuwe initiatieven. Aangezien de Sint-Pieter hoofdzakelijk een vissersschip is, begon vzw De Scute in 2002 aan de bouw van een loodskotter, om hun maritiem patrimonium te vertegenwoordigen op evenementen in Engeland, Frankrijk en Nederland. Die bouw werd on hold gezet door problemen met de beplanking van de Blankenbergse schuit. Deze werd volledig met authentieke materialen en technieken gebouwd: “Die planken werden allemaal geplooid zoals dat destijds ook gebeurde: buiten op een open vuur met gewichten. Urenlang vuur eronder en blijven nat spuiten, zodat het hout niet zou verbranden. Naargelang de kromming die we moesten bereiken, duurde dat tussen de vijf en de acht uur om een plank te plooien. Ze gebruikten enkel olmenhout, maar door een ziekte sedert de jaren 1960 begon het hout van hun schuit na vijf jaar rottingsverschijnselen te vertonen. Bijgevolg heeft de vzw de schuit opnieuw moeten beplanken met eik, wat weer vijf jaar duurde. Daarnaast baat de vzw ook een schip uit: het wrak van een garnaalkotter – het voornaamste scheepstype aan de Belgische kust – die de stad Blankenberge volledig hersteld heeft en na de tewaterlating in 2006 aan de vereniging toevertrouwde. Intussen heeft de vzw twee schepen in uitbating, waarmee ze het maritiem erfgoed promoot. De bouw van de loodskotter is nog steeds niet herbegonnen: “Want subsidies, ja… Dat is allemaal niet meer zo evident.”

 

“Ik maak me geen zorgen over de toekomst van de scheepsbouw en het maritieme erfgoed, maar vind wel dat de huidige knelpunten structureel aangepakt moeten worden. De initiatieven die maritiem erfgoed bewaren moeten hogere subsidies ontvangen door een betere erkenning, wat zou kunnen leiden tot een instroom van jongeren.”

 

KNELPUNTEN EN TOEKOMSTPLANNEN
De plannen voor toekomstige projecten van de vzw zijn er al, maar worden nog niet uitgevoerd, doordat ze niet voldoende subsidies ontvangen om hun herstellingen en bouwwerken voort te kunnen zetten: “Dat is dus één van de grote knelpunten, het vinden van voldoende financiële middelen om het herstel, het onderhoud of de herbouw van die schepen te financieren”. Volgens Panesi staat Nederland op dat vlak al veel verder, ook al beseft hij dat dat te wijten is aan een grotere maritieme traditie. Het stadsbestuur van Blankenberge erkent De Scute voldoende, maar erkenning in een bredere context ontbreekt nog voor Panesi: “Ik denk dat heel ons maritiem erfgoed daar wat in het verdomhoekje zit. We krijgen niet de erkenning die men in Frankrijk, Nederland en Engeland krijgt”. Toch vindt hij dat België een patrimonium heeft dat de moeite waard is en waar meer in geïnvesteerd zou moeten worden.

Een tweede knelpunt is de instroom van jongeren om de toekomst van de vzw te garanderen. Panesi beseft dat niet enkel zijn vzw dit probleem ondervindt: zowel in Frankrijk, Engeland als in Nederland is er weinig instroom van jonge geïnteresseerden: “Wie is geïnteresseerd in erfgoed ? Mensen van een zekere leeftijd, die tijd hebben ?” De gemiddelde leeftijd van Panesi en zijn collega’s bedraagt ongeveer 60 jaar. Er zijn wel enkele acties om de interactie met jongeren te vergroten. Zo werken ze samen met Vlaamse jeugdherbergen door de jongeren een zeetocht te laten doen. Er zijn scholen die jaarlijks een zeetocht boeken bij De Scute. Daarnaast zijn er plannen voor kleine projecten: enkele lichtere bootjes bouwen en daarmee zeilinitiaties geven. Voor de bouw van die bootjes zouden ze dan technische scholen aantrekken om praktijkervaring in de bouw aan te bieden aan de leerlingen. Voorts werkt de vzw samen met de Sea Scouts en zitten er intussen twee jongeren bij de bemanning van de vereniging. In Nederland zakt een jongere generatie af naar zeilwedstrijden, waardoor ze nu een hele ploeg jonge mensen in de bemanning hebben. De Scute organiseert ook jaarlijks een wedstrijd, maar Panesi beseft dat hun schepen hier niet voor zijn gemaakt, aangezien het zwaardere scheepstypes zijn dan die uit Nederland.

Een derde knelpunt, waar intussen aan gewerkt wordt, is een repertoire. Er is binnen het INTERREG-programma een project uitgewerkt, Maritime Skills, dat de scheepsambachten van Frankrijk, Engeland, Nederland en België bundelt. Alle aspecten worden gefilmd: het touwwerk, het bouwen van een schip, het beplanken, enzovoort. Panesi maakt zich geen zorgen over de toekomst van de scheepsbouw en het maritieme erfgoed, maar vindt wel dat de huidige knelpunten structureel aangepakt moeten worden. De initiatieven die maritiem erfgoed bewaren moeten hogere subsidies ontvangen door een betere erkenning, wat zou kunnen leiden tot een instroom van jongeren en wat het comfortabel voortbestaan van de initiatieven zou garanderen: “Wat betreft het verloren gaan van kennis, maak ik me niet veel zorgen. De werf Jan Van Damme is een professionele werf waar nog veel bedrijvigheid is. En die initiatieven hier, die zullen ook niet verdwijnen hoor. Maar het moet doorgegeven kunnen worden, en daar knelt het schoentje. Jonge mensen moeten gemobiliseerd worden”.