Katrien Van Craenenbroeck

DSC_6461Katrien Van Craenenbroeck begon reeds op zeer jonge leeftijd te dansen. Haar vader Renaat was een fervent volksdanser en hij betrok daar graag zijn gezin bij. Tijdens Van Craenenbroeck’s kinderjaren werd de living ’s avonds vaak ontruimd zodat haar vader nieuwe danspassen kon inoefenen. Hij onderzocht de traditionele technieken van de West-Europese baldansen van de periode tussen 1830-1900 en gaf cursussen over deze stijl met zijn dansgroep Lange Wapper. Die danssoorten berusten vooral op spontaneïteit en improvisatie, waarbij de dansers met enkele vaste figuren telkens een nieuwe dans creëren op specifieke muziek. Katrien gaf vervolgens samen met haar vader enkele jaren les. Na zijn overlijden nam ze zijn cursussen over en zette ze de familietraditie voort. Van Craenenbroeck geeft momenteel nog steeds dansles in bijberoep onder de originele naam Lange Wapper. Haar specialiteiten zijn onder andere polka, wals, mazurka en scottish.


MUZIEK, THEATER EN INFRASTRUCTUUR
Van Craenenbroeck werkt steeds met een muzikant tijdens haar cursussen; dit vergroot de interactie tussen de dansers en de muziek. Het belang van de melodie mag zeker niet onderschat worden. Van Craenenbroeck gebruikt vooral muziek van de periode tussen 1830-1900, omdat de melodie daarin zeer beschrijvend is. Dansers die zich verder dan het Boombal willen begeven, komen bij Van Craenenbroeck terecht, waar ze effectief naar de muziek leren luisteren: “Boombal is het begin. Ze werken met hun basisfiguren, maar heel dikwijls luisteren ze niet naar wat de muziek te vertellen heeft. Je hoort bijna aan de muziek wat je moet doen”. Naast het muzikale aspect, is ook het  theatrale van groot belang tijdens de performance. Danspunt, het Vlaamse steunpunt voor Amateurdans, vraagt Van Craenenbroeck vaak om dansbeschrijvingen te maken voor hun organisatie. Voor haar is dans een totaalbeweging, die een theatraliteit bevat en die niet zomaar omschreven kan worden volgens stappen. Dat maakt het doorgeven, via andere kanalen dan dansles zelf, erg moeilijk. Naast muziek en theatraliteit is de infrastructuur een belangrijk onderdeel van een geslaagde cursus of voorstelling. In België is net die infrastructuur problematisch en mogelijk een bedreiging voor de toekomst van de volksdans. Er heerst namelijk een enorm tekort aan kwalitatieve danszalen in de steden. Vroeger gaf Van Craenenbroeck twee avonden per week les, waarbij ze de ene avond techniek gaf en de andere avond een choreografie aanleerde. Nu geeft ze noodgedwongen nog maar één avond les, omdat ze enkel voor die ene dag een zaal vindt die geschikt is om op een comfortabele manier les te geven. Dansers hebben een houten dansvloer nodig, spiegels en een grote ruimte om in te kunnen bewegen. Het probleem is dat zalen in steden voor verschillende disciplines gebruikt worden. Op die manier is de zaal vaak niet aangepast aan dansers, omdat hij een stenen of betonnen vloer heeft of te klein is.


“Naast muziek en theatraliteit vormt ook de infrastructuur een belangrijk onderdeel voor een geslaagde cursus of voorstelling. In België is net die infrastructuur problematisch en mogelijk een bedreiging voor de toekomst van de volksdans. Er heerst namelijk een enorm tekort aan kwalitatieve danszalen in de steden.”


ACTUELE SITUATIE EN OVERLEVERING VAN DE TRADITIONELE VOLKSDANS
Volgens Van Craenenbroeck leeft de traditie van de volksdans intenser voort op het platteland, zoals in Frankrijk of Wallonië: “Als er in een dorp een bal is, dan gaat de jeugd daar naartoe omdat er niet veel anders te doen is, tenzij ze kilometers ver reizen.” Dit contrasteert met de situatie in Vlaanderen, dat in feite één grote stad is. Om die reden is een cursus in bijvoorbeeld Dranouter veel sneller volzet dan dezelfde cursus in Antwerpen of Brussel. Volksdans wordt als professionele discipline binnen de verschillende danssoorten vaak aan de kant geschoven. Volgens velen is daar geen techniek voor nodig, maar het tegendeel blijkt waar: “De techniek die wij bijbrengen, die kun je even goed gebruiken voor lindy hop, salsa of tango. Eigenlijk zit daar evenveel techniek en pit in en dat is heel leuk om als koppel te dansen. Maar de mensen kennen dat gewoon niet”. De informatie rond volksdans is niet duidelijk gestructureerd. Bijgevolg kampt deze discipline in België tot op heden met een imagoprobleem. Maar dankzij initiatieven als Boombal beginnen jongeren steeds vaker de oude danstradities op te pikken. Desalniettemin vormt de professionalisering in Vlaanderen een praktisch obstakel voor het vlotte verloop van zulke dansgelegenheden. Volgens Van Craenenbroeck verdwijnt de spontaneïteit in Vlaanderen door het vaak complexe, wettelijke kader. Hierdoor moeten dansers op voorhand aangeven of ze al dan niet aanwezig zijn op een specifiek bal, waardoor veel mensen uiteindelijk afhaken: “Ik heb ook graag dat ik gewoon naar een bal kan gaan als ik zin heb. Daarom heb ik liever het Noord-Franse of het Waalse gebeuren, want daar is de spontaneïteit veel groter.” Het tekort aan plaatsen waar er spontaan gedanst kan worden en de vastgelegde cursussen van slechts één uur per week vormen de basis voor dit probleem. Volgens Van Craenenbroeck kan zij haar dansers op één uur niets bijbrengen, als er vervolgens een week lang niet meer gewerkt kan worden. Volledige dagen en dansweekends zijn veel doeltreffender, omdat de dansers op die manier sneller vooruitgaan en de technieken beter onthouden. Maar die intensievere lessen zijn praktisch dus zelden mogelijk, onder andere door een tekort aan zalen en middelen. Daarnaast zorgt de snelheid waarmee dansers een diploma behalen om zelf les te geven, voor een steeds lagere kwaliteit bij het overleveren van de traditie. Nu doet iemand tien lessen voor beginners, tien voor halfgevorderden, tien voor gevorderden, en dan gaat hij zelf een cursus geven. Dit was ooit anders: “Vroeger deden mensen daar een heel leven over om hetgeen ze zelf hadden geleerd door te geven aan de volgende generatie. Dat leerproces ging altijd door. Ik heb mijn vader nooit horen zeggen ‘Ik ben een expert in dans of ik kan niets meer bijleren”. Een goede danser is volgens Van Craenenbroeck altijd bereid om te blijven leren en investeren. Dit contrasteert met de mentaliteit van de huidige prestatiemaatschappij en de jeugd, die wil dat alles snel gaat, om dan aan iets anders te kunnen beginnen.


VERNIEUWING
Veel volksdansers weren doorgaans invloeden van buitenaf, omdat ze werkelijk op die traditie willen focussen. Vernieuwing is bijgevolg vaak niet welkom, maar Lange Wapper heeft ze wel toegelaten. De dansgroep houdt vast aan die periode in de 19de eeuw en de basiskenmerken van de Europese dans, maar laat invloeden toe van Ierse en Tsjechische dansen, en zelfs een beetje vanuit de tango. Van Craenenbroeck vindt de toenemende vermenging van stijlen wel een verarming van de culturele diversiteit. Er mag invloed zijn van buitenaf, maar de traditionele basis moet behouden blijven: “Dat is een spijtige andere kant aan Boombal. Daar gaan ze ook effectief salsa dansen, en op de duur wordt dat één mengeling. Dan is dat noch salsa, noch tango, noch folk, noch eender wat”.