Kobe Van Herwegen

DSC_2267Goochelen, presenteren, acteren, scenario’s schrijven, regisseren en participeren in creatieve denktanks: Kobe Van Herwegen heeft het allemaal op zijn curriculum staan. Als kind vond hij op zolder een magische goocheldoos en sindsdien staat zijn leven grotendeels in het teken van goochelen. Hij zat niet enkel in een goochelclub, hij ging ook naar het circusatelier, volgde dictie- en theaterlessen en ging naar de logopedist. Dit alles met maar één doel voor ogen: goochelaar worden.

GESCHIEDENIS EN TRADITIE
Zijn droom om een goochelprogramma te presenteren op tv verwezenlijkte Van Herwegen bij jongerenzender Ketnet toen hij halverwege de twintig was. Meteen bracht het programma ook een goocheldoos, een boek en een theatertournee in Vlaanderen en Nederland met zich mee. “Jongeren in aanraking brengen met en warm maken voor goochelen, dat is waar ik het om deed. En om goochelen op een andere, positieve manier in het daglicht te stellen,” aldus Van Herwegen. Ook om deze laatste reden verdiepte hij zich de afgelopen jaren samen met zijn vader in de geschiedenis van de goochelkunst in België. Ze schreven samen het boek “Chapeau. De geheime goochelgeschiedenis van België” en er kwam een tentoonstelling in het Gentse museum Huis van Alijn. Het publiek laten weten dat er een traditie bestaat in dit land, en dat goochelen niet louter entertainment is, dat wil Van Herwegen bereiken, “want enkel op die manier kan de toekomst van het goochelen gevrijwaard worden.”

 

“Goochelclubs zijn een zeer interessant kanaal voor kennisverwerving, zeker voor de jonge goochelaar. Wat de kennisoverdracht bemoeilijkt, is dat het niveau van de leden heel verschillend is. Bovendien zijn er binnen het goochelen veel subdisciplines.”

 

IMAGO
Goochelen is een buitenbeentje onder de podiumkunsten en wordt helaas niet altijd even serieus bekeken. Het valt onder de circuskunsten, maar Van Herwegen vraagt zich af of dit wel helemaal klopt: “Goochelen wordt gebruikt in het circus, maar het staat er evengoed los van.” Samen met het Circuscentrum moet gezocht worden naar mogelijkheden om meer aandacht te krijgen en het goochelen in Vlaanderen te laten groeien. Van Herwegen steekt de hand in eigen boezem en vindt dat er een mentaliteitswijziging nodig is binnen de goochelwereld zelf: artiesten moeten minder in zichzelf gekeerd zijn en moeten durven handelen voorbij de gekende vormen. Goochelaars werken doorgaans alleen, of zijn hoogstens vergezeld door een assisent(e); in tegenstelling tot circusartiesten, die meestal met meerderen aan één act werken. Op die manier is het logisch dat kruisbestuiving en samenwerking daar sneller ingang vinden.

 

INTELLECTUELE EIGENDOM
Er is geen goochelopleiding aan de Circusschool: kennisoverdracht zit voornamelijk binnen het circuit van de goochelclubs. Goochelaars komen er samen voor debat- en oefenavonden: ze delen kennis en houden elkaar op de hoogte van allerlei nieuwigheden. Goochelclubs zijn een zeer interessant kanaal voor kennisverwerving, zeker voor de jonge goochelaar. Wat de kennisoverdracht bemoeilijkt, is dat het niveau van de leden heel verschillend is. Bovendien zijn er binnen het goochelen veel subdisciplines (illusies, micromagie, cartomagie, kindergoochelen, salongoochelen, stand-upgoochelen, toneelgoochelen, manipulatie, ontsnapping, mentalisme,…) en elk daarvan gebruikt een rist eigen attributen. Vroeger waren ook de professionele goochelaars bij de clubs aangesloten, wat de aantrekkingskracht verhoogde. Nu is dat is minder het geval. Professionele goochelaars verlaten de club als ze de trucs kennen; ze hebben meer nood aan artistieke input. Ze onderhouden goede contacten, komen regelmatig bijeen, leggen hun vragen aan elkaar voor, coachen en adviseren elkaar. Een leerling-meestersysteem zoals dat bestond voor er goochelclubs waren, bestaat nu niet meer. Toen werden kennis én materiaal doorverkocht aan een leerling die de act/business overnam. Of kennis werd doorgegeven binnen families die goocheltheaters uitbaatten op de kermis. Nu gebeurt alles binnen de clubs. Op vlak van kennisoverdracht is er absoluut nood aan professionalisering: “Als dat niet kan binnen een formele opleiding, moeten er op regelmatige basis workshops worden ingericht voor beginners, waarin ze onder begeleiding van professionals bijvoorbeeld in contact kunnen komen met regie, mime, scenario- en tekstschrijven.” Er zijn trucs uit het repertoire verdwenen omdat niemand ze nog beheerst. Zo bijvoorbeeld “konijn uit de hoed”, het clichébeeld van de goochelaar. Het is maar enkele jaren als act opgevoerd door twee goochelaars. De informatie die daarover is opgenomen in boeken, is te summier om die act te doorgronden. Een andere verdwenen truc is de illusie van het Indisch touw: een touw wordt in de lucht gegooid en blijft rechtstaan. Er loopt een kindje op, maar wanneer de goochelaar in z’n handen klapt, valt het kindje in brokstukken naar beneden. Die brokstukken gaan in een mand, waaruit even later het kindje te voorschijn komt. Het gebeurt ook dat een bepaalde act zo het visitekaartje geworden is van één goochelaar, dat die zijn geheim liever meeneemt in z’n graf dan het door te geven.

 

TOEKOMST ?
Idealiter neemt het Circuscentrum een rol op in de opwaardering en professionalisering van het vak: ondersteuning van de goochelkunst valt namelijk onder zijn taken. Het is ook in het kader van het Circusdecreet dat goochelaars subsidies kunnen ontvangen. “Trouwens ongeacht of ze opereren in een bvba, een vzw of het kunstenaarsstatuut hebben,” weet Van Herwegen. Stemmen gaan echter op om in België een aparte overkoepelende organisatie op te richten voor goochelaars, waardoor kennisoverdracht gestructureerd kan verlopen. “Zo’n organisatie zou congressen kunnen organiseren, coaching voor jongeren voorzien, activiteiten van de verschillende goochelclubs op elkaar afstemmen en een rol opnemen in belangenbehartiging. Maar over de structuur van zo’n koepel zijn de verschillende clubs het nog niet eens. Of goochelen misschien gewoon onder de auspiciën van het Circuscentrum moet blijven, is ook voer voor discussie.”