Dirk Strobbe

DSC_2719Dirk Strobbe studeerde schoenontwerp aan het Vrij Technisch Instituut van Izegem. In de jaren 1970 nam hij de schoenmakerij van zijn familie over en kende zowel topjaren als moeilijkere tijden. Izegem was een metropool van de schoenmakerij van 1850 tot 1975. Daarna stortte de schoenenmarkt in door concurrentie uit lagelonenlanden en stijgende prijzen van grondstoffen, waardoor het steeds moeilijker werd om het hoofd boven water te houden. Strobbe deed zijn zaak van de hand en leidt momenteel een atelier in een werkplaats voor orthopedische schoenen. Daarnaast organiseert hij toonmomenten in het Nationaal Schoeiselmuseum in Izegem.


EVOLUTIE VAN DE OPLEIDING SCHOENMAKER
Voor Strobbe was zijn schoolcarrière aan het VTI een succes. Izegem was op dat moment het centrum van de schoenproductie, dus de opleiding schoenmaker was gegeerd. Strobbe was één van de twee studenten die afstudeerden van een groep van 600 leerlingen. De basisopleiding bedroeg vier jaren: je begon met de leersoorten te bestuderen, gevolgd door montage en afwerking. Na het vierde jaar had je voldoende basiskennis en kon je kiezen uit de specialisatie orthopedagogie of modeontwerp. In die tijd waren er in Izegem alleen al zo’n 260 schoenbedrijven, terwijl er op dit moment nog maar één te vinden is. In België zijn er nog een drietal bedrijven die alles zelf maken,  de rest doet aan assemblage van stukken uit lagelonenlanden. Volgens Strobbe zijn die hedendaagse schoenen (die hij confectieschoenen noemt) zo goed als nooit naar de norm: ze zijn niet kwalitatief en zorgen voor een slechte lichaamshouding, wat tot gezondheidsproblemen kan leiden. Strobbe ziet de toekomst van de opleiding tot schoenmaker niet rooskleurig. Momenteel kan je enkel nog de opleiding schoenhersteller volgen in België. In de orthopedische sector zit nog potentieel, maar in de productie niet. Alles wordt nu geassembleerd in China, Vietnam of India: “Er wordt nog weinig hier gemaakt, enkel exclusieve modellen. Dat is niet meer interessant voor leerlingen in de schoensector. Na België was Italië het productieland bij uitstek, maar ook daar is deze sector volledig aan het uitsterven.”

 

ZELFSTANDIGE SCHOENMAKER
Strobbe werkte 32 jaar als zelfstandig schoenmaker. Volgens hem is er een groot verschil tussen een schoenmaker en een schoenhersteller. Om schoenen te maken, heb je een diploma en basiskennis nodig. Een schoenmaker maakt schoenen van A tot Z, terwijl een schoenhersteller iemand is die schoenen lapt: “En daarvoor heb je geen diploma nodig. Dat wordt vaak met elkaar vergeleken, maar dat is natuurlijk niet hetzelfde.” Strobbe specialiseerde zich in verschillende types schoenen tijdens zijn jaren als zelfstandige. Hij begon met kinderschoenen, damesschoenen en herenschoenen, waarna hij zich in de jaren 1980 specialiseerde in (werk)sandalen en rustpantoffels. Zijn cliënteel bestond hoofdzakelijk uit groothandelaars. Strobbe deed alles zelf in zijn zaak: zowel grondstoffen aankopen als meewerken in de productie en de verkoop. Na 1996 ging het bergaf met de schoenindustrie: de productiekost steeg, de loonlasten waren niet meer te houden en de concurrentie uit lagelonenlanden was moordend. Momenteel is hij werknemer, maar hij is deels zelfstandig: hij leidt een atelier binnen een orthopedisch bedrijf. Als zelfstandige had hij zelden vrije tijd, terwijl hij nu klaar is op vrijdagnamiddag: “Ik heb veel meer verlof. Ik laat een beetje de stress achter. Ik leer nog iedere dag iets bij en het voornaamste is dat je de kennis kan doorgeven.”

 

“De kennis over het ambacht kan het best overgebracht worden via een museum, aangezien ik het authentieke schoenmaken zelf niet meer zie heropleven.”

 

KENNIS EN SCHOENEN IN HET MUSEUM
Strobbe schat dat iemand op drie jaar tijd de basiskennis voor schoenmaken onder de knie kan krijgen. Voor hem is het belangrijk om de authentieke kunst van het schoenmaken door te geven: “Omdat je van niets iets creëert.” Izegem was tot in de jaren 1990 over de hele wereld gekend voor zijn schoenen, die ‘Chaussures d’Izegem’ werden genoemd. Het is van belang om dat erfgoed te bewaren: “Het is belangrijk voor de generaties die komen dat ze dat kunnen zien en leren kennen. De grootouders hebben hier nog gewerkt, en hebben deze stad mee groot gemaakt.” Volgens Strobbe kan die kennis het best overgebracht worden met een museum, aangezien hij het authentiek schoenmaken zelf niet meer ziet heropleven. Enkel orthopedische schoenen liggen momenteel nog goed in de markt, maar dat gaat misschien ook niet lang meer duren, aangezien ze nu al een deel van het productieproces naar Colombia en Brazilië proberen te verhuizen. Strobbe werkt ook samen met opleidingscentrum Syntra Veurne om beginnende schoenherstellers bij te staan en op te leiden, aangezien schoenen herstellen wel nog economisch interessant is.

In de museale context ziet Strobbe nog toekomst: door middel van stages en workshops kunnen mensen zien hoe het authentiek schoenen maken er vroeger aan toe ging. Om die reden werkt hij samen met het Nationaal Schoeiselmuseum in Izegem. Er wordt regelmatig een ambachtendag georganiseerd waarbij Strobbe, samen met twee collega’s, de oude manier van schoenen maken toont aan de bezoekers: “Ik vind dat heel leuk. Mensen zijn nieuwsgierig, zeker in Izegem. Daar zie je jongere en oudere generaties die nog eens komen kijken en de sfeer komen opsnuiven.” Ook in Oostenrijk proberen ze het ambacht te bewaren door een jaarlijks evenement te organiseren: Crazy Shoe. Deelnemers vanuit heel Europa worden uitgenodigd om hun creaties in te zenden, waarna er drie winnaars uitgekozen worden die een geldprijs krijgen. De schoenen mogen gek en excentriek zijn, de enige voorwaarde is dat ze gedragen kunnen worden. Dit stimuleert de creativiteit van de overblijvende schoenmakers, en brengt de authentieke kunst nog eens onder de aandacht. Strobbe zou graag kindernamiddagen organiseren in het museum: tonen aan groepen uit de lagere school hoe een schoen in elkaar zit, en hen dan zelf iets laten knutselen “zodat ze het voelen”.