Ronny Delusinne

DSC_6709Ronny Delusinne was oorspronkelijk treinbestuurder van beroep, maar ontdekte op zijn veertigste een nieuwe passie: koetsen herstellen. Hoewel het als hobby begon, waagde hij twee jaar later een sprong in het diepe en begon hij op zelfstandige basis. Delusinne specialiseerde zich in het restaureren van oude koetsen en doet daarnaast ook aan nieuwbouw. Intussen is hij op pensioen, maar hij werkt nog steeds samen met zijn vrouw in zijn atelier.

KOETSENBOUWERS IN BELGIË: EEN UITSTERVEND RAS ?
Delusinne en zijn vrouw zitten intussen al 25 jaar in de koetsenbouw. Door al die jaren ervaring en kennis bezitten zij een schat aan informatie en vakmanschap, waarvan de overdracht aan jongere mensen niet evident is. Het is volgens Delusinne immers zeer belangrijk dat een koetsenmaker iets kent van elk facet van het restauratie- en bouwproces: leerbewerking, houtbewerking, wielenbouw, smeedwerk, enzovoort. Een groot deel van die kennis van de traditionele koetsenbouw dreigt nu snel verloren te gaan, aangezien de vroegere generaties koetsenbouwers meestal ongeletterd waren en zelf hun technieken niet documenteerden. Dit zorgde ervoor dat latere generaties weinig bronnen hadden om op terug te vallen en bijgevolg creatief leerden omspringen met de kennishiaten. Delusinne en zijn vrouw experimenteerden met technieken tot ze alles zelf konden, waardoor ze in totaal in feite zes beroepen beheersen. Delusinne zelf stelt dat je “naïef en een beetje gek moet zijn om er helemaal in op te kunnen gaan, anders begin je daar niet aan”. De concurrentie uit lagelonenlanden en de dalende populariteit van koetsen in het algemeen zorgen ervoor dat het aantal koetsenbouwers in Europa drastisch gedaald is sinds de 19de eeuw: “Indertijd zaten er in Brussel alleen al in één straat 207 koetsenbouwers. In één straat!” Delusinne weet ons te vertellen dat er vandaag nog slechts vier restaurateurs zijn in Vlaanderen, die intussen allemaal de pensioenleeftijd bereikt hebben.


VAKMANSCHAP, GEDULD EN HOUT
Delusinne verkiest de restauratie van authentieke koetsen boven nieuwbouw, aangezien dit voor hem minder een uitdaging vormt: “Ik was mecanicien van beroep en had ervaring met lassen, smeedwerk en automechanica: dat was dus het probleem niet. Maar voor de kwaliteitsvolle restauratie moest ik op zoek gaan naar oudere technieken.” Door de commercialisering van het bouwproces dreigen steeds meer facetten van de koetsenbouw verloren te gaan. Toch probeert Delusinne met zijn restauratietechnieken zo dicht mogelijk bij die benadering van weleer te blijven. Hij specialiseert zich in wielenbouw en gebruikt enkel hoogwaardige houtsoorten om ze te construeren. Een uitgebreide kennis bezitten over hout is een essentieel aspect voor het bouwproces. Vandaag willen mensen vaak dingen zo goedkoop en zo snel mogelijk gerealiseerd zien, maar dat druist in tegen de filosofie van Delusinne. Voor hem zijn kennis en geduld de belangrijkste aspecten van het ambacht: “Er zijn wel nog mensen die kennis hebben van hout, maar nu kunnen dat mensen zijn die voordien bijvoorbeeld dweilen verkochten. Ze weten niet wat ze verkopen, enkel het nummer en de prijs telt nog, een beetje zoals met een tv. Vroeger zochten de mensen een boom uit met de houtzager en moesten ze wachten tot het moment dat hij gekapt mocht worden. Nu wordt er het hele jaar door gezaagd.”


“Vandaag willen mensen vaak dingen zo goedkoop en zo snel mogelijk gerealiseerd zien, maar dat druist in tegen mijn filosofie. Voor mij zijn kennis en geduld de belangrijkste aspecten van het ambacht.”


VERANDERENDE MARKTEN EN HET BELEID IN BELGIË
België was in de 19de eeuw één van de grootste Europese vertegenwoordigers in de koetsenbouw, gevolgd door Engeland, Frankrijk en in mindere mate Duitsland. De grootste collecties van Belgische koetsen zijn tegenwoordig te vinden in Nederland (het Nederlandse Koningshuis heeft bijvoorbeeld een mooie verzameling), aangezien de Belg eerder een verkoper dan een verzamelaar is volgens Delusinne. De bloeiperiode van de koetsenverkoop is intussen voorbij: de algemene belangstelling daalt en de concurrentie van landen zoals China en Polen doet veel koetsenmakers de das om. Delusinne en zijn vrouw hebben steeds het hoofd boven water kunnen houden doordat ze restauraties combineerden met nieuwbouw. Op die manier speelden ze zo flexibel mogelijk in op de vraag van de markt. Zo bouwden ze huifwagens die speciaal ontworpen waren voor rolstoelpatiënten, tot hun ontwerp naar Polen gestuurd werd en daar plots geproduceerd werd aan een beduidend lagere prijs. Door deze oneerlijke concurrentie en de dalende vraag naar kwaliteit, beseffen Delusinne en zijn vrouw dat het geen aanrader meer is om in deze tijd zelfstandig te beginnen als koetsenbouwer, al zeker niet in België. In Frankrijk en Nederland steunt de staat ambachtelijke beroepen door middel van projecten en subsidies, maar in België is de situatie volgens Delusinne anders: “Als je kijkt naar elegantiewedstrijden: die worden niet gesponsord door Vlaanderen, daar is niet genoeg interesse voor… Maar als er niets achter zit van de gemeenschap zelf, wordt er niets aan gedaan. In België geldt nog al te vaak de regel: als het niet opbrengt, hou er dan mee op”. Nog een voorbeeld is de vuilnisophaal met paard in Wallonië. De vuilniswagens in kwestie worden niet gemaakt in België, maar in Polen. Volgens Delusinne was dit een kans om een Belgisch project te lanceren en de plaatselijke koetsenbouwers te steunen door hen aan te stellen voor de constructie van de vuilniswagens. Ook in dit voorbeeld, waarbij de overheid als klant optreedt, werd het prijskaartje verkozen boven het behoud van ambachtelijke vaardigheden in België, terwijl men in Nederland de koetsen steeds plaatselijk laat produceren.


DE NIEUWE GENERATIE
Kinderen die interesse tonen voor ambachtelijke beroepen worden in Nederland van jongs af aan gemotiveerd om in die richting verder te gaan, terwijl zo’n beleid in België onbestaande is. Delusinne meent dat 18-jarigen al niet meer geschikt zijn om vanaf nul een ambacht te leren. De technieken moeten stap voor stap doorgegeven worden op een jongere leeftijd. Volgens Delusinne is de ideale leerling zoals een schaduw die hem bijstaat in zijn atelier. De details van het vakmanschap kunnen niet mondeling of op korte tijd overgebracht worden, maar moeten geleidelijk aan groeien door observatie en memorisatie. De hoeveelheid aan informatie die vrij te verkrijgen is, is zeer gering. Want de koetsenbouw vormt een kleine markt en iedereen wil zijn eigen bevindingen en technieken beschermen. Vanzelfsprekend is dit niet wenselijk voor de toekomst van de sector.