Geert Opsomer

DSC_6185Geert Opsomer kan niet met één woord omschreven worden: theaterwetenschapper en –criticus, pedagoog, mentor, maatschappelijk werker, academicus en filosofische beleidsontwikkelaar. Opsomer werkte twintig jaar aan de universiteit, stichtte een nieuwe opleiding in Brussel en was gedurende acht jaar artistiek leider van het Nieuwpoorttheater. Momenteel is hij aan het RITS mentor van toekomstige theatermakers van het tweede en het derde jaar. Daarnaast volgt hij ook masterstudenten op en doceert hij cultuurgeschiedenis. Opsomer onderzoekt de toekomst van het theaterlandschap en focust op het doorgeven van erfgoed.


“EMANCIPERENDE RELATIE”
Opsomer hecht erg veel belang aan pedagogie. Hij omschrijft zijn taak als “mensen op hun eigen verhaal laten komen”. Voor hem telt niet zozeer een meester-leerlingsysteem. De term “emanciperende relatie” lijkt hem gepaster: hij luistert naar mensen en door te luisteren laat hij hen tot inzichten komen. Op die manier wordt er geen kennis overgedragen van de ene op de andere, maar komen ze samen tot een kennisverdeling. Voor Opsomer is het delen met anderen vanuit een passie om te leren, de kern van echt meesterschap: “Vanuit een maatschappelijke betrokkenheid bepaalde kennis durven delen met anderen, zonder erop uit te zijn om die kennis te kapitaliseren in een carrière of instituut”. Opsomer gelooft erg in een creatieve gemeenschap, waarbinnen iedereen elkaar inspireert en beïnvloedt, zonder concurrentie.

 

NEOLIBERALISME
Opsomer betreurt het feit dat we tegenwoordig een aantal dimensies verliezen door de neoliberale druk op de samenleving. Mensen worden superindividueel benaderd, waardoor het collectieve, het duurzame, het maatschappelijke en het populaire teloorgaan. Hierdoor dreigt de toevoer van nieuwe ideeën stil te vallen. Tijdens zijn reizen naar het buitenland ziet Opsomer dat het ook anders kan: “Als je naar Brazilië gaat, dan zie je daar een hele populaire cultuur, die eigenlijk voortdurend dingen naar boven stuwt, zowel politiek als sociaal en cultureel”. Aan duurzaamheid hecht Opsomer veel belang: “We zien een evenement als een product, maar hoe dat daar komt en hoe dat ontstaan is en hoe dat ook verder kan gaan, daar is eigenlijk niemand mee bezig”. Mensen en instellingen maken een productmatige opvatting van de ruimte, maar houden geen rekening meer met het aspect van de tijd, dat een noodzakelijk deel uitmaakt van het geheel. Die duurzame cyclus die zich ontwikkelt, wordt niet meer onderzocht. Dat is een deskundigheid die moet opleven: verder kijken dan het afgeleverde product en ook de weg naar het product in kaart kunnen brengen.

 

INSTELLINGEN
De aanpak van de cultuurinstellingen is volgens Opsomer de laatste twintig jaar erg veranderd. Ze behandelen de voorstellingen van jonge theatermakers als een product en halen de creatiecontext weg. Om die reden blijft Opsomer liefst altijd bij de basis van creativiteit: bij de mensen zelf. In de loop der jaren zijn de impulsen die het theater nieuw leven inblazen zo snel mogelijk gestructureerd en geïnstitutionaliseerd, om overzicht te creëren en om controle uit te oefenen vanuit de overheid. Op die manier dreigen nieuwe handelingen telkens stil te vallen. Volgens Opsomer zouden de instellingen niet volgens vastgelegde regels moeten werken, maar vanuit een buikgevoel of een basisethiek. Het defensieve van de sector moet doorbroken worden: “Die verbeelding, die rolmodellen moeten opnieuw voeding en lucht krijgen. Ik geloof in een conjuncturele beweging van de geschiedenis, dus binnen vijf, tien of twintig jaar zal dat wel omslaan. In die zin ben ik optimistisch, op lange termijn”.

 

“We zien een evenement als een product, maar hoe dat daar komt en hoe dat ontstaan is en hoe dat ook verder kan gaan, daar is eigenlijk niemand mee bezig. Dat is een deskundigheid die moet opleven: verder kijken dan het afgeleverde product en ook de weg naar het product in kaart kunnen brengen.”

 

MAATSCHAPPELIJK ENGAGEMENT
Opsomer voert een aanhoudende denkoefening uit om te ontdekken hoe hij bepaalde groepen op theater kan betrekken, die er in de huidige omstandigheden geen toegang tot hebben. Hij ziet het publiek als een potentiële theatergemeenschap: iedereen kan, indien hij of zij er de passie voor heeft of er de kans toe krijgt, een kunstenaar zijn. Zo heeft hij verschillende openbare onderzoeken gedaan om mensen kunst te laten beoefenen. Zijn project in Schaarbeek is hier een voorbeeld van: hij werkt er met jonge mensen van Turkse, Maghrebijnse en Ghanese afkomst. Hoewel dit mensen zijn die, vaak door taalbarrières, niet meteen geneigd zijn om een theateropleiding te volgen, heeft Opsomer ze toch geïnspireerd, waardoor ze nu betrokken zijn bij het project. Die mensen hebben verschillende achtergronden: dat gaat van circus over rap, beatbox en slam-poetry tot muziek en dans. Al die verschillende disciplines worden samengebracht tot wat Opsomer “een synthetische theatervorm” noemt. De Kuiperskaai in Gent in 1997 is nog zo’n voorbeeld: Opsomer en zijn collega’s zijn op onderzoek gegaan in de teloorgegane uitgaansbuurt die intussen was vervangen door een winkelcentrum. Ze interviewden mensen en verzamelden materiaal en verhalen waarmee ze die site probeerden te reconstrueren. Rond dat thema werd een heus festival georganiseerd, met kunstenaars en theatermakers. Dit zorgde voor betrokkenheid bij de mensen uit de buurt, omdat het een deel van hun geschiedenis was dat ze herbeleefden.

De maatschappelijke projecten die Opsomer opricht, moeten volgens hem zo onbegrensd mogelijk zijn. Hij wil zoveel mogelijk kruisbestuiving tussen continenten uitlokken: “Er is daar zoveel te leren van elkaar, aan weerskanten. Het zou een mooi forum kunnen zijn om in contact te komen met mensen met een gelijkaardige deskundigheid en van verschillende achtergronden”. Er worden helaas te weinig middelen vrijgemaakt om dergelijke transnationale projecten te realiseren.

TOEKOMST
Voor Opsomer is het belangrijk dat het ontwikkelingsmodel losgekoppeld wordt van het economische groeimodel. Een instelling kan bijvoorbeeld niet onbeperkt groeien, aangezien dat vernieuwing en creativiteit beperkt. Het moet bekeken worden als een levenscyclus: er ontstaat een idee, vervolgens ontwikkelt er zich een instelling, die uiteindelijk uitsterft om weer plaats te maken voor nieuwe ideeën. In de praktijk is dat echter moeilijk aan de man te brengen, aangezien het als gevolg heeft dat mensen hun job verliezen. De huidige ondersteuning met projectsubsidies en ontwikkelingsbeurzen is onontbeerlijk, maar er moet een instrumentarium ontwikkeld worden om dat ontwikkelingsdenken te verdedigen. Voor Opsomer is er geen eenvoudige oplossing. Er is een conglomeraat nodig van mensen die samen nadenken over een mogelijke transitie naar dat ontwikkelingsmodel. Om dat te bereiken zal een duurzame en tegelijk radicale operatie nodig zijn: “Er moet eigenlijk een nieuw denken opgestart worden”. Opsomer ziet dat gebeuren als er gewerkt wordt met mensen die antropologisch, filosofisch of archeologisch zijn ingesteld. Een samenwerking vanuit die benaderingswijzen zou kunnen leiden tot een inspirerende nota, die op lange termijn werkt aan de vitaliteit van de sector.