Christian Bincquet

DSC_4178Christian Bincquet uit Izegem ontwerpt en modelleert schoenen, gradeert patronen en maakt orthopedische schachten. Het verval van de Izegemse schoenindustrie maakte hij in de jaren 1990 van dichtbij mee. Die slechte herinneringen maken dat hij een haat-liefdeverhouding heeft met het ambacht. “Ik zeg het, het is een rotte job in feite. Je hebt zodanig veel materialen nodig en er komt van alles bij kijken. En het kan op ieder moment mislukken. Dat je iedere keer helemaal opnieuw moet herbeginnen. Maar het totaalpakket is, ja, verslavend.”

LEERTRAJECT
“Eigenlijk was het niet mijn ambitie om bij Pinco, de schoenenfabriek van mijn vader en grootvader, aan de slag te gaan,” weet Bincquet te vertellen. Maar toen hij zijn opleiding public relations stopzette, begon Bincquet alsnog in het familiebedrijf. Hij leerde er patroontekenen van de vaste patroontekenaar. “Van die man heb ik bijzonder veel geleerd. Hij deed niets anders dan ontwerpen omzetten in patronen en maakte proefmodellen. Telkens ging het om twee collecties in één jaar: de zomer- en de wintercollectie. Eerst wordt een studie gemaakt over wat in de mode zal zijn. Dan worden de beurzen gedaan en de leesten aangekocht, waarop een hele hoop modellen worden gemaakt. Zo krijg je de stalen en kan je met de collectie beginnen. Alleen al met dit werk was je makkelijk twee tot drie maanden bezig.”
Zijn creativiteit kon hij kwijt in het ontwerpen van de collecties. Later zou Bincquet verschillende kortere en langere opleidingen volgen om zich verder te bekwamen in het schoenenontwerp, zowel via formele kanalen als bij oud-leraren, voormalige medewerkers van schoenenfabriek en binnen de bedrijven waar hij voor werkte. Zijn job bij Pinco combineerde hij met een functie als leerkracht schoenmaken in het beroepsonderwijs.

 

“Een van de knelpunten in de kennisoverdracht van het schoenmaken is de beperkte mogelijkheid om in Vlaanderen stages te volgen. Studenten moeten echt de mogelijkheid krijgen om ergens te kunnen werken. Ik krijg ook wel aanvragen van stagiairs die een tijdje willen meedraaien. Ik werk veel op verplaatsing, dus ik ben niet altijd in mijn atelier aanwezig. Praktisch gezien is dat eigenlijk heel moeilijk te organiseren.”

 

IZEGEM, SCHOENENSTAD
Net als het merendeel van de schoenenfabrieken in die periode ging de familiezaak aan het begin van de jaren negentig overkop. “Geluk bij een ongeluk was dat ik bij de verschillende faillissementen machines heb kunnen kopen. In bijberoep produceerde ik kleine series damesschoenen en pantoffels, en al die tijd bleef ik deeltijds aan de slag in het onderwijs.” Regelmatig kreeg Bincquet de vraag om schachten te maken voor orthopedische schoenen, maar hij hield de boot een beetje af. “Men was echter zo tevreden over mijn werk, dat ik alsnog besloot een opleiding orthopedische schoentechniek te gaan volgen en om voltijds als zelfstandige aan de slag te gaan.” Omdat Bincquet een van de weinigen in België is die weet hoe schachten voor orthopedische schoenen gemaakt moeten worden, heeft hij een goedgevuld orderboek.

 

OPLEIDING EN TRANSMISSIE
“De opleiding in het beroepsonderwijs is inmiddels opgeheven, maar in het volwassenenonderwijs geef ik nu ook les in de opleiding schoendesign.” De aankoop van vele machines die nodig zijn voor de productie van schoenen, is een investering die studenten ontmoedigt om zelf aan de slag te gaan. “Vaak hebben studenten een heel ander beeld over wat er bij schoenontwerp allemaal komt kijken: veel rekenwerk !” Voor lang niet alle studenten is er bovendien plaats op de arbeidsmarkt. “Voor velen blijft het een hobby, anderen schakelen over op marokijnwerk omdat je daar veel minder materiaal voor nodig hebt. Buiten een uitgebreid machinepark, beschik ik zelf nog over een computer, plotter en printer.” Bincquet werkt voor het orthopedische schoenontwerp met gespecialiseerde software, die erg duur is om aan te kopen en daarom niet wordt gebruikt in de opleiding. Een van de knelpunten in de kennisoverdracht van het schoenmaken is de beperkte mogelijkheid om in Vlaanderen stages te volgen. “Studenten moeten echt de mogelijkheid krijgen om ergens te kunnen werken. Ik krijg ook wel aanvragen van stagiairs die een tijdje willen meedraaien. Ik werk veel op verplaatsing, dus ik ben niet altijd in mijn atelier aanwezig. Praktisch gezien is dat eigenlijk heel moeilijk te organiseren. Of de stagiairs zouden thuis moeten willen werken, maar ja, dan moeten ze veel investeren in materiaal. Het liefst van al zou ik een hele dag één persoon bij me hebben, bijvoorbeeld een bepaalde dag in de week. Misschien doe ik dat binnenkort wel. Maar voor het ogenblik is het nog iets te hectisch om dat georganiseerd te krijgen.”

 

CONCURRENTIE EN SPECIALISMEN
Hoewel het belangrijk is om diverse technieken te beheersen, stelt Bincquet vast dat er ook in grotere bedrijven meer en meer gespecialiseerd wordt. Dit brengt natuurlijk risico’s met zich mee als individuele specialisten plots wegvallen. Zelf heeft hij in orthopedie een boeiende uitdaging gevonden. “Op gebied van creativiteit kan ik me meer uitleven in de orthopedie dan in de schoenenfabriek. Daar mocht er niet te veel werk aan de schoenen zijn: ze moesten er goed uitzien, liefst met zo weinig mogelijk stikwerk aan.” Want aan stiksters is er een groot tekort in België en veel van het stikwerk wordt uitbesteed aan het buitenland, aan stiksters in China of de Filippijnen bijvoorbeeld, waar de lonen veel lager liggen. “Ten eerste is het daar goedkoper en ten tweede is de kennis hier stilaan verdwenen. Mochten er meer patroonmakers en stiksters zijn, dan zouden er misschien wel meer bedrijven bereid zijn om in België te blijven en te investeren.” In Nederland bijvoorbeeld hebben ze niet noodzakelijk meer kennis over schoenmaken, maar zijn ze commerciëler ingesteld. Daar groeien kleine spelers uit tot grote bedrijven, die veel uitbesteden.