Frank Degruyter

DSC_3096Frank Degruyter studeerde in Brussel regentaat Nederlands en volgde een opleiding Woord aan het conservatorium, waar hij in 1983 afzwaaide. Drie jaar later won hij zijn eerste prijs. Degruyter is bezig met theater in de brede zin van het woord. Hij maakt solovoorstellingen en evolueerde van poëzie naar het bewerken van theaterteksten en verhalen. Hij creëert zowel voorstellingen voor jongeren als voor volwassen. Daarnaast geeft hij regelmatig workshops en werkt hij als coach in bibliotheken om mensen in het vertellen en voorlezen van verhalen te begeleiden. Al jaren werkt hij samen met het Europees Vertelfestival.

VERTELLEN ALS TAALGENRE
Voor Degruyter is het belangrijk dat bepaalde definities van ‘vertellen’ vermeden worden. Indien het vertellen als erfgoedmateriaal of amateurkunst beschouwd wordt, dan zorgt dat voor een verenging van de kunstvorm: “Voor mij is vertellen zeker niet te reduceren tot het oppikken van vertellingskes van vroeger, tot het volksverhaal. Mensen hebben het altijd over gedichtjes en verhaaltjes. Ze hebben de neiging om dat begrip heel klein te maken, terwijl ik zeg: gooi dat open”. Degruyter vertelt onder andere Shakespeare. Hij noemt dit soort voorstellingen verteltheater: hij vertelt gedramatiseerd, gebruikt attributen en er is een decor aanwezig. Voor Degruyter hoeven er in verhalen geen heksen, gedaanteverwisselingen, sprekende dieren of verschijningen van Maria voor te komen. Dat soort van volks vertellen is volgens hem niet de juiste invalshoek: de literatuur mag niet ontbreken in een juiste definitie. Degruyter gebruikt een bestaande literaire tekst, zet die naar zijn hand en brengt die op zijn manier. In de opleidingen moet er een duidelijke definitie aangereikt worden. Er bestaan opleidingen zoals acteren en woordkunsten, maar toch worden afgestudeerde vertellers vaak als amateurs gezien in het professionele circuit. Nochtans heeft vertellen een unieke waarde: de magie van de omweg. De verbeelding van de luisteraars wordt enorm geprikkeld en ze moeten zelf een universum creëren. Het is een alternatief voor de beeldcultuur die momenteel onze maatschappij beheerst en die mensen niet meer aanzet tot fantaseren.

 

“Er moet volgens mij dringend beslist worden of het vertellen als opleiding opgenomen wordt binnen een professioneel kader, zoals voor acteurs. Als Jan Decleir Dario Fo vertelt, noemt men het acteren. Als een verteller Dario Fo vertelt, noemt men het vertellen. Waarom ? Ik zie niet goed waarom er een onderscheid is.”

 

IMMATERIEEL ERFGOED BORGEN
Degruyter kreeg vijf jaar geleden een opdracht van Erfgoed Vlaanderen om een voorstelling te maken rond Gogetama, een voormalige sigarenfabriek. Hij maakte een vertelvoorstelling op basis van het materiaal dat hij verzamelde uit gesprekken met mensen die daar gewerkt hadden. Hij hoopt in de toekomst gelijkaardige opdrachten te ontvangen, aangezien hij het zowel boeiend als leerrijk vond. Volgens hem is dit dan ook een goede techniek om aan publieksgeschiedenis te doen en om immaterieel erfgoed te borgen. Degruyter merkt op dat onze samenleving een eerder beperkte verhalencollectie bezit. Dit zou komen doordat de orale traditie hier veel langer geduurd heeft, waardoor pas later de dingen opgeschreven en bijgehouden werden. Er ontstond doorheen de jaren een kloof tussen enerzijds mensen die op een academische manier met geschiedenis bezig zijn en relevant onderzoek doen, maar door hun presentatie geen breed publiek kunnen bereiken, en anderzijds initiatieven bij musea of erfgoedcellen die dan in vraag gesteld worden voor hun wetenschappelijkheid. Het Instituut voor Publieksgeschiedenis doet een poging om beide elementen te combineren, om op die manier een droge, wetenschappelijke materie over te kunnen brengen naar een  breed publiek. Degruyter zou hier een geschikt tussenpersoon voor zijn: “Ik denk dat de combinatie van die zaken belangrijk is. Geschiedenis, vertellen, erfgoed. En het vierde element is onderwijs”. Het zou interessant zijn om soortgelijke projecten zoals de voorstelling rond Cogetama te koppelen aan een universiteitsinitiatief, om op die manier het pedagogische aspect te integreren.

 

DE TOEKOMST VAN HET VERTELLEN
Degruyter stelt vast dat zijn metier nog steeds erg levendig is. Er worden vertelsessies georganiseerd in bibliotheken (bijvoorbeeld in Brussel) en zowel Degruyter als zijn collega’s krijgen voldoende aanbiedingen. Verschillende organisaties promoten het vertellen als vak. Alden Biesen, een expertisecentrum voor vertelkunst in Vlaanderen en Europa, is bijvoorbeeld een website aan het maken waarop vertellers een pagina krijgen om zich voor te stellen. Ook de academische wereld zou haar steentje kunnen bijdragen. Degruyter vindt dat zijn discipline opgenomen zou moeten worden in de lerarenopleiding. Twee jaar geleden gaf hij een workshop aan laatstejaars van de lerarenopleiding aan de Artevelde Hogeschool. Daar constateerde hij dat de studenten nog nooit met vertellen als metier in aanraking gekomen waren. Volgens Degruyter zou dat een zeer waardevolle bijdrage kunnen betekenen voor toekomstige leraren en kleuterleiders: “Het cliché luidt: lesgeven is een beetje toneel spelen”. Er moet volgens Degruyter dringend beslist worden of het vertellen als opleiding opgenomen wordt binnen een professioneel kader, zoals voor acteurs: “Als Jan Decleir Dario Fo vertelt, noemt men het acteren. Als een verteller Dario Fo vertelt, noemt men het vertellen. Waarom ? Ik zie niet goed waarom er een onderscheid is”. Hij richtte reeds een brief aan de voormalig schepen van Cultuur in Gent, met het voorstel om daar een vertelopleiding te starten. Degruyter beseft echter dat hij dit niet op zijn eentje kan: er is eerst omkadering nodig. Het idee is er, maar het moet opgenomen worden door een sterke koepelorganisatie. De discipline zou bijvoorbeeld een onderdeel kunnen vormen van de opleiding Dramatische Kunsten. Het beroep zou logistiek ondersteund kunnen worden, wat dan weer leidt tot het ontstaan van netwerken. Die erkenning als professioneel beroep zou een instroom van jong talent kunnen betekenen. “Als men deze stappen niet onderneemt, en men blijft mensen vertellen dat ze ‘verteller’ zijn wanneer ze gedurende één weekend een opleiding van Van Stoel tot Stoel gevolgd hebben, dan moet men achteraf niet komen klagen dat er ingeboet wordt aan structuur en instroom”.