Chris Van Goethem

DSC_3310Chris Van Goethem is docent aan het RITS in Brussel en eveneens coördinator van het Kenniscentrum Podiumtechieken dat er gevestigd is. Hij geeft les in lichttechnieken en special effects, doet aan scriptiebegeleiding en voert onder meer onderzoek naar de geschiedenis van de podiumtechnieken. Duurzaamheid en coöperatief ondernemen liggen hem nauw aan het hart, omdat het middelen zijn om kennisoverdracht tussen ervaren technici en jongere collega’s te bevorderen.

DIPLOMA VERSUS ERVARING
“Ik heb zelf geen diploma podiumtechnieken,” weet Van Goethem te vertellen. Zijn laatste jaar op de middelbare school deed hij vier keer over, telkens in een andere technische afstudeerrichting: “Eigenlijk de ideale basis voor een podiumtechnicus,” volgens Van Goethem, “want daardoor heb ik kennis van elektronica, van pneumatica, van elektriciteit en kan ik zowat overal over meepraten.” Sinds een vijftiental jaar bestaan er in Vlaanderen specifieke opleidingen tot podiumtechnicus. Voordien had het merendeel van de podiumtechnici geen diploma, maar wel ervaring: “Daarom hebben we zo hard geijverd om kennis en competenties ook te kunnen valideren met een Ervaringsbewijs: een officieel bewijs van bekwaamheid dat je verkrijgt na het afleggen van een gestandaardiseerde test.” Want het is niet zozeer het diploma dat voor een podiumtechnicus van belang is, maar wel zijn vaardigheden en ervaring. Het is om die reden dat in diverse opleidingen podiumtechniek vandaag zo veel belang gehecht wordt aan stages, ook in het buitenland. Een opleiding moet volgens Van Goethem in de sector geïntegreerd zijn en niet ergens erbuiten staan. Het opstellen van dergelijke competenties is niet eenvoudig. Naast een technische, is er een (veel moeilijker te meten) artistieke kant. Podiumtechniek is niet zomaar wat op knoppen duwen, het is ook interactie met tekst en personen, creatief zijn om een probleem op te lossen of een dimensie extra te realiseren.


SENSIBILISEREN
Technologie evolueert vandaag zo snel dat materiaal en technieken na tien à vijftien jaar al tot de geschiedenis behoren. Daarom is er volgens Van Goethem nood aan sensibilisering, zowel naar de overheid en de podiumgezelschappen toe, als naar de mensen of instellingen die weten hoe podiumtechnisch materiaal werkt of die het in hun bezit hebben. De materialen en vaardigheden rond podiumtechnieken zouden meer naar waarde moeten worden geschat. Het gaat dan over de bewaring en ontsluiting van technisch materiaal, want hierover bestaan geen richtlijnen vanuit het beleid. “Het bewaren van brochures en handleidingen van technisch materiaal kan nuttig zijn. Maar louter opslag ervan zou niet zinvol zijn: de verhalen van technici moeten worden opgetekend.” Zo wordt de kennis om de techniek te gebruiken geborgd en kan bovendien het leven achter de schermen van het podium mee in beeld worden gebracht. Mondelinge getuigenissen kunnen ook helpen bij het documenteren van voorstellingen: er wordt tot op heden heel weinig bewaard over de manier waarop een voorstelling tot stand is gekomen en hoe de relatie tussen technici en acteurs mettertijd is geëvolueerd. Er kan volgens Van Goethem nog gewerkt worden aan methodes of aan een leidraad om dat op een gestructureerde manier te doen. En er is nood aan een organisatie die dat alles coördineert, stockeert en archiveert. “Waarom niet meteen combineren met een groot (transit)depot waar beheerders van ander erfgoed met grote formaten heen kunnen om hun materiaal te laten fotograferen, beschrijven,behandelen… al dan niet door vrijwilligers onder coördinatie van een professionele kracht ?”


“Ik hoop voor de toekomst op een plek – een hybride labo, een ontmoetingscentrum – waar onderwijs, onderzoek, makers en erfgoedmensen met elkaar in dialoog kunnen treden en kennis kunnen uitwisselen. Een soort dynamisch museum, waar oude en nieuwe technieken een plaats vinden en hun pedagogisch nut kunnen bewijzen.”


MUSEALISEREN EN INTERNATIONALISEREN
Van Goethem hoopt in de toekomst een plek gerealiseerd te zien – een hybride labo, een ontmoetingscentrum – waar onderwijs, onderzoek, makers en erfgoedmensen met elkaar in dialoog kunnen treden en kennis kunnen uitwisselen. Een soort dynamisch museum, waar oude en nieuwe technieken een plaats vinden en een pedagogisch nut kunnen bewijzen. Er zou bovendien een collectie van podiumtechniek (licht-, geluid- en beeldtechniek) kunnen worden gehuisvest, waarbij moet worden gekeken naar de inhoud van bestaande collecties en op een internationaal niveau naar complementariteit moet worden gestreefd.

In het buitenland zijn er een aantal musea die theatermateriaal stockeren, zoals het lichtmuseum in Tel Aviv, opgezet door een lichtbedrijf in samenwerking met de Universiteit van Tel Aviv. Ook tussen collectiebeheerders in verschillende landen zouden er best afspraken gemaakt worden. “Het heeft geen zin om hier alles van het merk Strand bij te houden, als ze dat in Engeland al doen. Dan zouden wij ons beter bezighouden met een van oorsprong Belgisch merk als ADB bijvoorbeeld”. Overzicht krijgen op en de uitbouw van (internationale) netwerken vragen eveneens een investering van middelen en tijd. Van Goethem is zelf actief betrokken bij OISTAT, International Organisation of Scenographers, Theatre Architects and Technicians, en heeft van daaruit goede contacten met Theatre Trust in Engeland en de historische commissie van ABTT (Association of British Theatre Technicians). Samenwerkingen opgehangen aan concrete acties zijn hiervoor een goede opstap. Zo is de Theatre Trust bezig met het opzetten van Theatre Tours in verschillende Europese landen. Er worden contacten gelegd tussen verschillende theaters die een boeiend verhaal te vertellen hebben op het vlak van architectuur, (theater)geschiedenis en aanwezige techniek en die verknoopt zijn met de geschiedenis van het land, zoals de Bourlaschouwburg in Antwerpen.

De situatie daar is trouwens heel dubbel. Vanuit het standpunt van het residerende gezelschap is het heel begrijpelijk dat zij het gebouw en de techniek willen aanpassen aan hedendaagse noden. Vanuit een erfgoedperspectief is dat evenwel iets “wat je niet kan maken”. Voor zover geweten is het in Europa de enige schouwburg van die schaal die nog beschikt over de originele technische installaties. Andere (kasteel)theaters zijn veel kleiner en minder relevant. Doordat de Bourla vrij laat is gebouwd, zijn alle technische elementen die in eerdere periodes werden gebruikt, er in een min of meer geperfectioneerde vorm te zien. Op die manier kan de werking van een hele generatie van schouwburgen er geïllustreerd en begrepen worden. In 1993 is de Bourla gerestaureerd en aangepast, met behoud van de oude voorzieningen naast nieuwe techniek. Intussen functioneert de oude noch de nieuwe techniek, die op haar beurt alweer wat achterhaald is, optimaal. Als de originele techniek wordt ontmanteld en naar een magazijn wordt overgeheveld, dan verliest ze haar historische en pedagogische waarde: je moet de apparatuur kunnen gebruiken om de effecten ervan te horen, te zien en te begrijpen. Sommige dingen kan je alleen zo inzetten voor kennisoverdracht (maquettes en technische tekeningen volstaan niet). Ook de kennis over het gebruik van de technische apparatuur verdwijnt. Snel zijn met het documenteren is dus de boodschap. Want pas dan wordt het interessant: als je de infrastructuur kan combineren met verhalen over hoe de techniek dan werd gebruikt en in welke voorstellingen dan werd toegepast. De oude techniek inzetten bij hedendaagse voorstellingen is heel moeilijk, aangezien ze niet beantwoordt aan de actuele veiligheidsnormen.